WWW.ONSHART.NLMet dank aan www.hartziekte.be |
||||||||
| Contact | ||||||||
|
"Zoek de kleine dingen die aan het leven vreugde en voldoening geven."
|
In ons lichaam bevinden zich verschillende klieren. Dit zijn organen die bepaalde stoffen produceren en afscheiden die nodig zijn voor ons dagelijks functioneren. Bekende voorbeelden zijn: traanklieren, speekselklieren, de schildklier en de alvleesklier (pancreas). De alvleesklier maakt enzymen en een aantal hormonen aan, waaronder insuline. Enzymen zijn noodzakelijk voor de vertering van voedsel. Hormonen beïnvloeden de stofwisseling, het spijsverteringsproces en het functioneren van de darmen. Zij reguleren onder andere de hoeveelheid suiker in het bloed.
De alvleesklier is langwerpig van vorm en ligt bovenin de buikholte. Er worden aan de alvleesklier drie delen onderscheiden, te weten:
•De staart: deze ligt links in de buikholte dicht bij de milt en de linkernier.
•Het lichaam of middengedeelte: deze bevindt zich achter de maag.
•De kop: deze ligt ongeveer in het midden van de buik, onder de lever en tegen de twaalfvingerige darm (= het eerste deel van de dunne darm).
Aan de onderzijde van de alvleesklier bevindt zich de dunne darm. In de buurt van de alvleesklier lopen ook enkele grote en belangrijke bloedvaten. Door de alvleesklier loopt een afvoerkanaaltje dat uitmondt in de papil van Vater Deze papil bevindt zich op de kop van de alvleesklier, in de wand van de twaalfvingerige darm. De enzymen die de alvleesklier aanmaakt, komen via het afvoerkanaaltje van de alvleesklier en de papil van Vater in de twaalfvingerige darm. Daar werken ze mee aan de vertering van het voedsel. De alvleesklier maakt naast enzymen ook hormonen (waaronder insuline). Dit gebeurt in cellen die in kleine groepjes bijeen liggen: de eilandjes van Langerhans. De hormonen worden direct aan het bloed afgegeven.
Lever, galblaas en galweg
Om een idee te hebben waardoor de klachten bij alvleesklierkanker worden veroorzaakt, is het nodig om iets te weten over het functioneren van de lever, galblaas en galweg. Hier onder staande illustratie zijn de verschillende afvoerkanaaltjes aangegeven.
De lever is een vrij groot en stevig orgaan dat rechtsboven in de buikholte ligt. Eén van zijn functies is het aanmaken van gal. De galblaas slaat deze vloeistof tijdelijk op. Gal speelt een belangrijke rol bij de vertering van vetten. De galweg zorgt ervoor dat de gal vanuit de lever en de galblaas, via de papil van Vater, wordt afgevoerd naar de twaalfvingerige darm. De afvoergang van de alvleesklier komt eveneens bij deze papil uit. Blokkade van de papil door een tumor kan dan ook de afvoer van gal belemmeren en het functioneren van de alvleesklier verstoren.
Alvleesklierkanker
In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 1.400 mensen alvleesklierkanker vastgesteld. Het betreft vooral mensen boven de 40 jaar. In de alvleesklier komen diverse soorten cellen voor waaruit verschillende typen alvleesklierkanker kunnen ontstaan. De meestvoorkomende vorm van alvleesklierkanker is kanker van de klierbuisjes, ook wel adenocarcinoom genoemd. Over deze vorm leest u hier. In de kop van de alvleesklier komt vaker een tumor voor dan in de rest van het orgaan. Dit type alvleesklierkanker heet pancreaskopcarcinoom.
Andere typen tumoren
In en rondom de kop van de alvleesklier kunnen tumoren ontstaan die niet afkomstig zijn van het alvleesklierweefsel zelf. Zo’n tumor kan bijvoorbeeld zijn ontstaan in het weefsel van de papil van Vater, van de twaalfvingerige darm of van het onderste deel van de galweg. De naamgeving van deze tumoren is dan afhankelijk van het soort weefsel waaruit de tumor oorspronkelijk is ontstaan. Zo onderscheidt men een tumor van de papil van Vater, een galwegtumor of een dunnedarmtumor. Soms kan met weefselonderzoek niet precies worden bepaald uit welk type weefsel zo’n tumor in of rond de kop van de alvleesklier is ontstaan. In dat geval spreken we van een periampullaire tumor.
Groeiwijze
Als een tumor groter wordt, kan deze door de wand van de alvleesklier heen groeien. Doorgroei in aangrenzende organen en weefsels is dan mogelijk, met name in de twaalfvingerige darm, in zenuwen, in de rug en in de buikholte. Rondom de alvleesklier bevindt zich een uitgebreid systeem van lymfeklieren. Naarmate een tumor verder doorgroeit, is de kans groot dat er cellen losraken. Deze cellen kunnen via de lymfe in de lymfeklieren terechtkomen en daar uitgroeien tot tumoren. Dit zijn dus uitzaaiingen van alvleesklierkanker in de lymfeklieren. Bij verspreiding via het bloed kunnen er uitzaaiingen ontstaan in andere organen, bijvoorbeeld in de lever en de longen.
Stadium
Onder het stadium van de ziekte wordt verstaan de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Het stadium is van belang voor het vaststellen van de behandeling. Het stadium van de ziekte wordt vastgesteld aan de hand van:
•De grootte van de tumor.
•De mate van doorgroei in omringend weefsel.
•Het al dan niet aanwezig zijn van uitzaaiingen
in lymfeklieren of organen.
Oorzaken
Het is niet mogelijk om de exacte oorzaak van het ontstaan van alvleesklierkanker aan te geven. Wel zijn er bepaalde omstandigheden bekend die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van alvleesklierkanker. Uit onderzoek blijkt dat deze soort kanker vaker voorkomt bij mensen die roken. Een chronische ontsteking van de alvleesklier verhoogt het risico op alvleesklierkanker. Er zijn aanwijzingen dat in ongeveer 5% van de gevallen erfelijkheid een rol speelt. Evenals andere soorten kanker is alvleesklierkanker niet besmettelijk.
Voeding
Ruim gebruik van groente en fruit heeft een beschermende werking op het ontstaan van enkele soorten kanker.
Bij alvleesklierkanker is dit echter nog onvoldoende bekend. Een verband met alcoholgebruik is tot nu toe nog niet aangetoond. Het drinken van koffie geeft geen verhoogd risico op alvleesklierkanker.
Klachten
Een tumor in de alvleesklier is vaak al geruime tijd aanwezig voordat iemand daar iets van merkt. De klachten ontstaan in het algemeen pas wanneer de tumor is doorgegroeid in een ander orgaan. De aard van de klachten is dan ook afhankelijk van de plaats en de grootte van de tumor en van stoornissen in andere organen die door de tumor zijn aangetast.Vaak voorkomende klachten bij patiënten met alvleesklierkanker zijn een zeurende pijn boven of midden in de buik, verstoord ontlastings-patroon,verminderde eetlust en gewichtsverlies. Een tumor in of rond de kop van de alvleesklier wordt door eerder optredende klachten, met name geelzucht, vaak vroeger ontdekt dan een tumor verderop in de alvleesklier. Een tumor in of rond de kop kan namelijk de galweg afsluiten.
Afsluiting van de galwegen
De galweg loopt door de kop van de alvleesklier. Door afsluiting van de galweg ontstaat een ophoping van gal in de galweg, galblaas en lever.Doordat ook de lever niet meer goed functioneert, treden klachten op als vermoeidheid en lusteloosheid.
Als de gal de twaalfvingerige darm niet meer kan inlopen, raakt de vertering van het voedsel - met name van vetten - verstoord. Normaal kleurt de gal in de darm de ontlasting bruin. Verstopping van de galweg leidt tot dunne, licht gekleurde ontlasting. Het grootste deel van de galkleurstof dat zich ophoopt in de lever, wordt opgenomen in het bloed. Het komt terecht in weefsels als de huid en het oogwit. Dit kan zich uiten in een gelige, grauwe huid en gelig oogwit (geelzucht). Tevens kan hierbij jeuk over het gehele lichaam voorkomen. Een ander gedeelte van de galkleurstof komt via de nieren, die het bloed filteren, in de urine. Daardoor wordt de urine donkerder van kleur. De genoemde klachten kunnen ook met andere aandoeningen dan alvleesklierkanker te maken hebben. Maar wanneer de klachten enkele weken aanhouden is het verstandig uw huisarts te raadplegen. Bij geelzucht is het aan te raden de huisarts eerder te bezoeken.
Onderzoek
Als u met een of meer van de genoemde klachten naar uw huisarts gaat, zal hij u eerst lichamelijk onderzoeken. Hij kan ook aanvullend onderzoek (laten) verrichten, bijvoorbeeld bloedonderzoek en een onderzoek van de bovenbuik. Als uw huisarts vermoedt dat er sprake kan zijn van alvleesklierkanker, zal hij u doorverwijzen naar een specialist, meestal een internist, een maag-,darm- en leverarts (gastro-enteroloog) of een chirurg. De specialist zal het lichamelijk onderzoek herhalen en aanvullend uitgebreid onderzoek laten verrichten. Hier onder kunt u meer lezen over de onderzoeken die dan kunnen plaatsvinden.
Echografie
Echografie is een onderzoek met behulp van geluidsgolven.Deze golven zijn niet hoorbaar, maar de weerkaatsing (echo) ervan maakt organen en/of weefsels zichtbaar op een beeldscherm.Zo kunnen dus ook een eventuele tumor en/of uitzaaiingen in beeld gebracht worden. Tijdens het onderzoek ligt u op een onderzoektafel. Op de huid wordt een gelei aangebracht. De onderzoeker beweegt een klein apparaatje, dat de golven uitzendt, over de huid. De afbeeldingen op het beeldscherm kunnen op foto’s worden vastgelegd.Voor de patiënt is een echografie een eenvoudig,niet belastend onderzoek. Wel is het soms noodzakelijk dat u enkele uren voor het onderzoek nuchter blijft. Het kan voorkomen dat de arts tijdens de echografie een afwijking ziet en daarom wat weefsel wil afnemen. Hij kan dan, met behulp van het beeldscherm een naald inbrengen, waarmee hij weefsel uit de alvleesklier opzuigt. Dit onderzoek heet een punctie. Voordat de arts een punctie doet, wordt de huid plaatselijk verdoofd. De opgezogen cellen worden in het laboratorium onderzocht.
CT-scan (computertomografie)
Een computertomograaf is een apparaat waarmee men zeer gedetailleerde dwarsdoorsnede foto’s van organen en/of weefsels kan maken.Hierbij wordt gelijktijdig gebruikgemaakt van röntgenstraling en een computer. Het apparaat heeft een opening waar u, liggend op een beweegbare tafel, doorheen wordt geschoven. Terwijl de tafel verschuift, maakt men een serie foto’s. Deze foto’s geven een duidelijk beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van een mogelijke tumor en/of uitzaaiingen. Voor het maken van duidelijke foto’s is vaak een contrastvloeistof nodig. Meestal wordt deze vloeistof tijdens het onderzoek in een bloedvat van de arm gespoten. Contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel veroorzaken. Sommige mensen worden er wat misselijk van. Om ervoor te zorgen dat u hier zo min mogelijk last van hebt, wordt aanbevolen enkele uren voor het onderzoek nuchter te blijven.
Verder onderzoek
De uitkomsten van de eerder beschreven onderzoeken en de klachten die iemand heeft, geven soms aanleiding tot onderzoek van andere organen.Dit is niet bij iedere patiënt noodzakelijk. De volgende onderzoeken kunnen plaatsvinden:
•ERCP-onderzoek;
•doppler-echografie;
•laparoscopie.
ERCP-onderzoek
Met ERCP (Endoscopische Retrograde Cholangio Pancrea-ticografie) krijgt de arts een beeld van de galweg en de alvleesklier, zonder dat daarvoor een operatie nodig is. Het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van een röntgenapparaat en een dunne slang (een endoscoop), waaraan een kijkertje bevestigd is. De arts schuift de endoscoop via mond, slokdarm, maag en twaalfvingerige darm tot aan de papil van Vater. Via een speciaal kanaal in de endoscoop kan hij instrumenten inbrengen. Daarmee kan de arts stukjes (tumor)weefsel wegnemen, om in het laboratorium te laten onderzoeken. Voorafgaand aan het maken van röntgenfoto’s kan via de endoscoop een contrastmiddel in de alvleesklier en/of de galweg worden gespoten. Het onderzoek is niet pijnlijk, maar veel patiënten ervaren het als onplezierig. Meestal krijgt iemand die een ERCP ondergaat vóór en soms ook tijdens het onderzoek medicijnen toegediend om zich beter te kunnen ontspannen.Als een ERCP wordt gedaan omdat iemand (ook) last heeft van geelzucht, kan de arts tijdens het onderzoek een plastic buisje inbrengen. Dit buisje zorgt ervoor dat de gal weer kan worden afgevoerd.
Doppler-echografie
In dit onderzoek worden twee technieken gecombineerd, namelijk doppler en echografisch onderzoek. Beide maken gebruik van geluidsgolven die op een beeldscherm zichtbaar zijn. Met echografie kan een bloedvat rondom de alvleesklier zichtbaar worden gemaakt, waarna met de doppler-methode de stroomsnelheid van het bloed in het betreffende bloedvat wordt bepaald. Veranderingen in de stroomsnelheid van het bloed kunnen wijzen op een afwijking in het bloedvat, veroorzaakt door groei van een tumor.
Laparoscopie
Als laatste onderzoek wordt soms een kijkoperatie (laparoscopie) verricht. Dit gebeurt onder narcose. Via kleine sneetjes ter hoogte van de navel en in de onderbuik kan een kijkbuis, een laparoscoop,in de buikholte worden gebracht. Met dit onderzoek kunnen eventuele uitzaaiingen worden gezien. De tumor in de alvleesklier kan met dit onderzoek meestal niet worden beoordeeld. Via de laparoscoop is het mogelijk buikvocht en kleine stukjes weefsel (biopten) weg te nemen om te kunnen onderzoeken.
Spanning en onzekerheid
De periode van onderzoek is een moeilijke periode. Het kan enige tijd duren voordat alle voor u noodzakelijke onderzoeken verricht zijn en er duidelijkheid bestaat omtrent de uitgebreidheid van de ziekte. Waarschijnlijk hebt u vragen over het verloop van de ziekte die nog niet beantwoord kunnen worden. Onder deze omstandigheden kan veel spanning en onzekerheid bestaan, zowel bij u als bij uw naasten.
Behandeling
De meest toegepaste behandelingen bij alvleesklierkanker zijn:
•plaatsen van een buisje (endoprothese);
•operatie (chirurgie);
•bestraling (radiotherapie).
Een behandeling met celdeling-remmende medicijnen (chemotherapie) wordt op bescheiden schaal toegepast en dan vooral in het kader van onderzoek naar nieuwe behandelingen.
Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling is gericht op het genezen van een patiënt, wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Als de ziekte niet meer te genezen is, kan een palliatieve behandeling gegeven worden. Deze is bedoeld om de ziekte te remmen en/of de klachten te verminderen.
Doordat bij kanker in de kop van de alvleesklier geelzucht kan ontstaan, is de kans op vrij vroege ontdekking van de tumor redelijk groot. Als de tumor relatief klein is, kan een curatieve behandeling (operatie) worden voorgesteld. Helaas blijkt bij een deel van de patiënten tijdens de operatie dat verwijdering toch niet mogelijk is, omdat de tumor al is doorgegroeid in andere weefsels, bijvoorbeeld in bloedvaten. Tumoren in het middengedeelte of de staart van de alvleesklier worden vaak palliatief behandeld omdat ze, door de late klachten, meestal in een te laat stadium worden ontdekt.
Palliatieve behandeling
Bij patiënten met alvleesklierkanker komt palliatieve behandeling het meeste voor. Bij meer dan tweederde van de patiënten is de ziekte al zo vergevorderd, dat genezing niet meer mogelijk is. Welke palliatieve behandeling een patiënt krijgt, is afhankelijk van de aard van zijn klachten.
Geelzucht – In geval van geelzucht kan de belemmering van de galafvoer op verschillende manieren worden opgeheven. Als de verstopping zich ter hoogte van de galweg bevindt, kan de specialist via de endoscoop een buisje (endoprothese) in de galweg plaatsen.
Het buisje zorgt ervoor dat de galweg open blijft en niet wordt dichtgedrukt door de tumor.Meestal kan het aanbrengen van het buisje gelijktijdig met het ERCP-onderzoek plaatsvinden. Als het buisje goed functioneert, zal de geelzucht en de eventuele jeuk verdwijnen. Wanneer het buisje verstopt raakt, treedt er meestal weer geelzucht op. Dit kan gepaard gaan met koorts.Het buisje kan bijna altijd worden vervangen door een nieuw exemplaar. Dit gebeurt weer via een endoscopie op de polikliniek. Wanneer er geen endoprothese kan worden ingebracht, kan een operatie noodzakelijk zijn. De chirurg maakt dan een verbinding tussen de galweg en de darm, buiten de alvleesklier om.
Verstopping van de darm – Een enkele keer komt het voor dat een tumor de twaalfvingerige darm heeft aangetast. Het voedsel in de maag kan dan niet verder. Er ontstaat een verstopping. De patiënt heeft een pijnlijk en opgeblazen gevoel in de buik, soms gecombineerd met misselijkheid. De verstopping is met een operatie te verhelpen. De chirurg maakt dan een verbinding tussen de maag en het gezonde deel van de dunne darm.
Radiotherapie – Bestraling wordt bij alvleesklierkanker vooral toegepast als een tumor pijn veroorzaakt. De bestraling is dan gericht op pijnbestrijding.
Curatieve behandeling
Hoewel meer patiënten in eerste instantie in aanmerking komen voor een operatie, ondergaat uiteindelijk minder dan éénderde van alle patiënten met alvleesklierkanker een curatieve behandeling. Het komt voor dat artsen tijdens de operatie tot de conclusie moeten komen, dat de ingreep toch niet mogelijk is. De ziekte blijkt zich dan te ver te hebben uitgebreid. De patiënt zal dan een palliatieve behandeling krijgen.
Een curatief bedoelde operatie vindt meestal plaats bij patiënten met een tumor in de kop van de alvleesklier, een peri-ampullaire tumor, maar vooral bij een tumor van de papil van Vater.Artsen noemen deze operatie ook wel een ‘Whipple-operatie’. Een Whipple-operatie verloopt als volgt: de chirurg verwijdert het deel van de alvleesklier waarin de tumor zit, samen met de twaalfvingerige darm, de galblaas en een groot deel van de galweg. Soms wordt ook een gedeelte van de maag verwijderd. De chirurg verwijdert tevens de lymfeklieren rondom de alvleesklier. De alvleesklier, de galweg en eventueel het resterende deel van de maag worden weer verbonden met de dunne darm Tegenwoordig kan de maag steeds vaker worden gespaard. De maagsluitspier wordt dan op de dunne darm aangesloten, zie onderstaande illustratie.
Voordeel van deze operatietechniek is dat patiënten naderhand een betere voedselvertering hebben en minder last van diarree ondervinden. Na dergelijke zeer uitgebreide operaties kan er in de buikholte wondvocht ontstaan. Met behulp van buigzame slangen (wonddrains) kan dit vocht worden afgezogen. Hoe lang drains nodig zijn, verschilt van patiënt tot patiënt. Na de operatie krijgt de patiënt vaak tijdelijk sondevoeding. Dit is vloeibare voeding die via een slangetje (de sonde) in de maag of in de darmen komt. De patiënt wordt na de operatie soms enige tijd verpleegd op een Intensive Care afdeling. Zodra zijn conditie stabiel is, gaat de patiënt naar een gewone verpleegafdeling.
Afzien van behandeling
Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat, dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw arts. Iedereen heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal uw besluit respecteren. Hij zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van de ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.
Onderzoek naar nieuwe behandelingen
Voortdurend trachten artsen met nieuwe behandelingen betere resultaten te bereiken. Daarvoor is wetenschappelijk onderzoek (een ‘trial’) nodig, ook bij patiënten met alvleesklierkanker.
Een verbeterde behandeling vernietigt meer kankercellen en/of heeft minder bijwerkingen of andere nadelige gevolgen. U hoort in het ziekenhuis misschien ook wel over ‘wetenschappelijk onderzoek’, ‘vergelijkend onderzoek’, ‘experimentele behandeling’, ‘studie’ of het Engelse woord ‘trial’. Met al deze termen bedoelt men een mogelijk nieuwe behandeling waarvan nog moet worden bewezen of deze betere resultaten oplevert dan de op dat moment meest gebruikelijke behandeling (de standaardbehandeling). Een onderzoek naar een nieuwe behandeling duurt jaren. Het gebeurt op een wetenschappelijk verantwoorde manier, heel zorgvuldig en stap voor stap. In de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) staat onder welke voorwaarden wetenschappelijk onderzoek bij mensen mag plaatsvinden.
Medisch-ethische commissie
Elk onderzoek wordt in het ziekenhuis beoordeeld door een zogenoemde medisch-ethische commissie. Deze gaat na of het betreffende onderzoek aan de voorwaarden volgens de WMO voldoet. Het gaat er dan bijvoorbeeld om, of de belangen van de deelnemende patiënten voldoende zijn beschermd. De commissie bestaat uit artsen en andere zorgverleners.
Verschillende fasen
Onderzoek naar nieuwe medicijnen begint in kweekbakjes in het laboratorium en bij dieren. Daarna test men het nieuwe middel bij patiënten. Eerst wordt onderzocht hoe het medicijn zich in het menselijk lichaam gedraagt en hoe patiënten het verdragen (fase I onderzoek). Vervolgens gaat men bij een andere groep patiënten na of het nieuwe middel of een nieuwe combinatie van middelen tumorcellen vernietigt (fase II onderzoek). De meeste patiënten krijgen te maken met fase III onderzoek. Dit houdt in dat men de standaardbehandeling vergelijkt met de mogelijk nieuwe behandeling. Een grote groep patiënten krijgt de standaardbehandeling, een andere groep krijgt de mogelijk nieuwe behandeling. Door loting, randomisatie genoemd, wordt bepaald wie in welke groep terechtkomt. Noch u, noch uw specialist weten van tevoren welke behandeling u krijgt: de standaardbehandeling of de mogelijk nieuwe behandeling. Door te loten voorkomt men dat het samenstellen van de groepen wordt beïnvloed. Beïnvloeding zou de resultaten van het onderzoek onbetrouwbaar maken omdat de twee groepen patiënten dan niet vergelijkbaar zijn.
Toestemming
Deelname aan een onderzoek naar een nieuwe behandeling is geheel vrijwillig. U bepaalt zelf of u wel of niet meedoet. Besluit u mee te doen, dan geeft u toestemming door het ondertekenen van een schriftelijke verklaring. U heeft het recht om op elk moment uw medewerking te beëindigen. Het geven van toestemming heet ‘informed consent’. Dit wil zeggen dat u toestemming geeft op basis van voldoende en begrijpelijke informatie.Als u niet mee wilt doen of zich later terugtrekt, dient uw specialist uw beslissing te respecteren en u verder alle noodzakelijke zorg en steun te blijven geven.
Om wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen, zijn vaak gegevens nodig van mensen die nu kanker hebben. Medewerkers van de Integrale Kankercentra registreren de benodigde gegevens in ziekenhuizen aan de hand van de medische dossiers.
Zij verzamelen informatie over onder andere de ziekte, de behandelingen en het verdere verloop. Ook uw naam en geboortedatum worden in de registratie opgenomen. Deze privacygevoelige gegevens worden zorgvuldig afgeschermd. Dat wil zeggen:
•De gegevens worden in een ‘versleutelde’ vorm onherkenbaar gemaakt, zodat ze niet zonder meer tot één persoon te herleiden zijn.
•Alleen speciaal bevoegde werknemers met geheimhoudingsplicht hebben toegang tot deze gegevens.
Als u niet wilt dat uw gegevens worden geregistreerd, kunt u dit melden aan uw behandelend arts. Deze noteert het bezwaar in uw dossier en zorgt ervoor dat uw gegevens niet worden geregistreerd.
Verloop van de ziekte
In het algemeen geldt: hoe eerder kanker wordt ontdekt, hoe groter de overlevingskans. Alvleesklierkanker wordt meestal pas in een laat stadium ontdekt. De klachten die bij alvleesklierkanker in het beginstadium optreden zijn namelijk erg vaag. Een tumor in het middengedeelte of in de staart van de alvleesklier geeft vaak pas duidelijke klachten als de ziekte al ver is voortgeschreden. Een tumor in of rond de kop van de alvleesklier wordt relatief vaker al in een eerder stadium ontdekt. Dit maakt de kans op succesvolle behandeling groter. Voor de meeste patiënten met alvleesklierkanker zijn de vooruitzichten echter slecht. De behandeling is daarom meestal gericht op het verminderen van de klachten, zodat de patiënt nog enige tijd redelijk kan functioneren. Wat u als individuele patiënt voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend arts bespreken.
Vermoeidheid
Vermoeidheid kan ontstaan door kanker en/of de behandeling daarvan. Steeds meer patiënten geven aan hiervan last te hebben. Een aantal patiënten krijgt na langere tijd nog last van (extreme) vermoeidheid. De vermoeidheid kan lang aanhouden. Wanneer iemand palliatief behandeld wordt, kan de vermoeidheid ook te maken hebben met het voortschrijdende ziekteproces.
Pijn
Alvleesklierkanker kan pijn veroorzaken. Over pijn bij kanker bestaan nogal wat misverstanden. Zo wachten mensen vaak (te) lang met het gebruiken van pijnstillers. Ze zijn bijvoorbeeld bang dat niets meer voldoende zal helpen als de pijn toeneemt. Of ze zijn bang om verslaafd te raken. Maar een goede pijnstiller maakt het meestal mogelijk om toch weer activiteiten te ondernemen.
Kanker hoeft niet altijd met pijn gepaard te gaan. In het begin van de ziekte hebben veel patiënten geen pijn. Als de ziekte zich uitbreidt en er sprake is van uitzaaiingen, kan wel pijn optreden. Bijvoorbeeld door druk op een zenuw of door uitzaaiingen in de botten.
Pijn wordt niet altijd alleen door de ziekte veroorzaakt. Angst kan ook een rol spelen. Bijvoorbeeld angst om afhankelijk te worden van anderen of angst voor de dood. Allerlei gevoelens die door uw ziekte worden opgeroepen, kunnen uw lichamelijke pijn versterken.
Pijn kan grote invloed hebben op het dagelijks functioneren. Daarom is het belangrijk uw pijnklachten met uw arts te bespreken. Praten over pijn is geen zeuren. Bij het behandelen van pijnklachten zal in eerste instantie worden gekeken naar de oorzaak van de pijn en of deze kan worden weggenomen. Dit is niet altijd mogelijk, maar meestal kan de pijn wel worden verminderd of draaglijk worden gemaakt. Het gaat erom een pijnstiller te vinden die uw pijn goed onderdrukt en zo min mogelijk bijwerkingen geeft. Het is belangrijk om de voorgeschreven dosis op regelmatige tijden in te nemen. Pijnstillers werken namelijk het beste wanneer hiervan steeds een bepaalde hoeveelheid in het bloed aanwezig is.
Er zijn pijnstillers in de vorm van tabletten, capsules, drankjes, injecties, pleisters of zetpillen. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden om pijn te behandelen, waaronder radiotherapie, toediening van pijnstillende middelen via het ruggenwervelkanaal of het blokkeren van een zenuw. Ontspanningsoefeningen en fysiotherapie kunnen ook bijdragen om de pijn te verlichten.
Voeding
Een goede voedingstoestand en met name een stabiel lichaamsgewicht vergroten de mogelijkheid om een behandeling te doorstaan en ervan te herstellen. Goede voeding voor mensen met kanker verschilt niet wezenlijk van de adviezen die voor gezonde mensen gelden: voldoende energie (calorieën), voldoende vocht en voldoende voedingsstoffen zoals vitamines en mineralen. Ook belangrijk is het genoegen dat eten en drinken u kan bieden. Kies voeding waarvan u kunt genieten.
Soms ontstaan door een behandeling problemen met eten, omdat bijwerkingen zoals slechte eetlust en misselijkheid, het eten moeilijk maken. Meestal zijn deze bijwerkingen tijdelijk. In een aantal gevallen laat de behandeling blijvende sporen na en lukt het niet om weer alle voedingsmiddelen te gebruiken.
Mensen met alvleesklierkanker kunnen een aantal specifieke problemen met eten hebben. Deze kunnen van persoon tot persoon verschillen en sterk wisselen in de loop van de tijd. Het is dan ook aan te bevelen uw voeding te bespreken met uw behandelend arts en een diëtist. Een diëtist kan u adviezen geven die zijn afgestemd op uw persoonlijke situatie. Uw huisarts, uw behandelend arts of (wijk-)verpleegkundige kan u doorverwijzen naar de diëtist die met hen samenwerkt.
Tips
Blijf voldoende drinken - Het is erg belangrijk dat u voldoende vocht binnen krijgt. Probeer dagelijks zeker 1,5 tot 2 liter te drinken: 10 tot 16 kopjes per dag. Te weinig drinken kan een ziek, misselijk gevoel verergeren en een vieze smaak in de mond veroorzaken.
Controleer uw gewicht - Aan uw gewicht kunt u zien of uw voeding voldoende calorieën levert. Door uzelf regelmatig te wegen, bijvoorbeeld één keer per week, kunt u bijhouden of u afvalt danwel aankomt. Als u afvalt, is dat een teken dat de ziekte of de behandeling meer energie vraagt. Of misschien bent u ongemerkt minder gaan eten. Praat met uw arts, (wijk-)verpleegkundige of diëtist over uw voeding wanneer u in korte tijd bent afgevallen: meer dan drie kilo binnen een maand of zes kilo binnen een half jaar. Overleg ook met hen wanneer u moeite hebt om voldoende te drinken.
Probeer vaker op een dag kleine porties te eten - bedenk dat uw eetlust en smaakvoorkeur sterk kunnen wisselen. Ook uw reuk kan veranderen. Producten die de ene keer geen succes zijn, kunnen een andere keer best in de smaak vallen en omgekeerd.
Probeer energierijke producten te eten - Producten die vet en suiker bevatten zoals koek, snoep, gebak, volle melkproducten, volvette kaas en room kunnen soms helpen om ongewenst gewichtsverlies tegen te gaan. Het is de moeite waard om deze producten te proberen, ook al bent u die misschien niet gewend. Soms kan het zinvol zijn de voeding aan te vullen met dieetpreparaten zoals een eiwit- of energierijke drinkvoeding, voedingssuiker of een eiwitrijk poeder. Overleg met uw diëtist of dat in uw situatie ook een goede keus is. Gebruik als de vertering is verstoord in ruime mate alvleesklierenzymen (zie onder vetdiarree). Er zijn aanwijzingen dat speciale vetzuren uit visolie gecombineerd met extra voedingsstoffen het gewichts- en krachtverlies enigszins afremmen. Deze voeding is echter niet zonder meer voor iedereen
geschikt: overleg ook dit eerst met uw diëtist.
Voedingsproblemen
Na een Whipple-operatie - Na de operatie kunnen problemen met de voeding ontstaan. Soms zijn die problemen van tijdelijke aard, maar vaak zijn ze blijvend. U kunt, doordat een deel van het maagdarmstelsel is verwijderd, last hebben van een verstoorde spijsvertering. Het kan moeilijk zijn om voldoende voeding binnen te krijgen. Een persoonlijk voedingsadvies van een diëtist is dan noodzakelijk.
Vetdiarree - Deze diarree ontstaat als gevolg van het niet goed functioneren van de alvleesklier en een tekort aan alvleesklierenzymen. Een deel van de voeding wordt niet verteerd en niet opgenomen in het bloed. Daardoor krijgt de patiënt last van een vettige diarree, gevolgd door sterke vermagering. Deze diarree is te herkennen aan de plakkerigheid: zij blijft aan de toiletpot kleven. Zij is licht gekleurd en bevat stukjes onverteerd voedsel. Het is niet goed om vetarm te gaan eten: u verliest dan nog meer gewicht en de diarree neemt er niet door af. Als u de alvleesklierenzymen die de arts voorschrijft op juiste wijze en in voldoende mate gebruikt, kan de voeding vrijwel normaal worden verteerd en opgenomen. In overleg met uw diëtist kunt u dan normaal eten.
Diabetes - Als gevolg van de minder goed functionerende alvleesklier en een tekort aan insuline, kan een vorm van diabetes optreden. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk een diëtist in te schakelen en een persoonlijk voedingsadvies te vragen. Eventueel adviseert uw arts medicijnen om uw bloedsuikergehalte te reguleren. Soms kan het zinvol zijn de voeding aan te vullen met dieetpreparaten, zoals een eiwit- of energierijke drinkvoeding, voedingssuiker of een eiwitrijk poeder. Overleg met uw diëtist of dat ook in uw situatie een goede keus is.
Ongewenst gewichtsverlies
Een probleem dat veel voorkomt, is ongewenst gewichtsverlies en verlies van conditie. Slechte eetlust, afkeer van bepaald voedsel en vermoeidheid maken eten moeilijk. Vermagering kan ook worden veroorzaakt door het ziekteproces zelf. De lichaamshuishouding raakt ontregeld, waardoor de gebruikte voeding minder goed wordt benut. Soms is het daardoor onvermijdelijk dat gewichtsverlies optreedt. Maar voortdurende nadruk op eten kan bij slechte eetlust averechts werken. Praat met uw arts of verpleegkundige over uw voeding wanneer u in korte tijd bent afgevallen: meer dan drie kilo binnen een maand of zes kilo binnen een half jaar. Overleg ook met hen wanneer u moeite hebt voldoende te drinken of wanneer het u niet lukt voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen.
Speciale voeding of dieet
Er zijn patiënten die als aanvulling op de behandeling van het ziekenhuis speciale voeding, een dieet of voedingssupplementen willen gebruiken. Wetenschappelijk onderzoek heeft tot nu toe niet aannemelijk gemaakt dat een bepaald eetpatroon of dieet een eenmaal ontstaan kankerproces gunstig kan beïnvloeden. Maar als het u aanspreekt, kan het wel een steun voor u betekenen. Omdat u misschien zelf iets wilt doen, omdat u ervaart zo invloed op uw situatie te kunnen uitoefenen of omdat het past bij uw kijk op het leven. Meestal is het goed mogelijk om ook met een speciaal dieet een goede voeding samen te stellen. Het kan echter zijn dat u door uw ziekte of de behandeling moeite hebt met eten. Het kan ook zijn dat u door uw behandeling voor korte of langere tijd niet normaal mag of kunt eten. Uw voeding moet worden aangepast aan uw medische en persoonlijke situatie. Voedingssupplementen zijn soms een nuttige aanvulling, maar ze kunnen ook schadelijk zijn als u te veel van bepaalde stoffen binnenkrijgt. Overleg daarom altijd met uw arts en diëtist wanneer u erover denkt om een speciaal dieet of voedingssupplementen te gebruiken.
Bij landelijk onderzoek naar de werking van probiotica bij patiënten met ernstige acute alvleesklierontsteking zijn meer mensen overleden in de groep die probiotica kreeg, dan in de groep die de probiotica niet heeft gekregen. De onderzoekers zijn verrast door dit resultaat. Eerdere kleine buitenlandse studies toonden aan dat probiotica infectieremmend zou werken. Uit dit onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. De resultaten van het onderzoek worden binnenkort gepubliceerd in een vooraanstaand wetenschappelijk tijdschrift.
Aan het onderzoek namen 296 patiënten met ernstige acute alvleesklierontsteking deel, verdeeld in een onderzoek- en controlegroep. Acute alvleesklierontsteking is een zeldzame en zeer ernstige ziekte. In totaal overleden 24 patiënten (16 procent) in de onderzoeksgroep en 9 patiënten (6 procent) in de controlegroep.
De onderzoekers weten nog niet wat de verhoogde sterfte heeft veroorzaakt. Waarschijnlijk spelen drie factoren een rol:
- de toepassing van probiotica bij mensen met orgaanfalen,
- de toediening van probiotica aan intensive care patiënten, en
- het toedienen van probiotica samen met sondevoeding
De onderzoekers raden collega’s voorlopig af om probiotische bacteriën toe te passen in situaties die aan één (of meer) van deze drie criteria voldoen.
De patiënten zijn behandeld in vijftien Nederlandse ziekenhuizen, waaronder alle acht Universitaire Medische Centra. Het onderzoek is gefinancierd door Senter Novem, een overheidsinstantie, en is uitgevoerd onder leiding van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Alle betrokken patiënten en de familieleden van de overledenen zijn inmiddels ingelicht.
Twee eerder gepubliceerde kleinschalige studies met probiotica bij alvleesklierontsteking toonden hoopvolle resultaten, maar waren te klein om artsen te overtuigen van het nut van toepassing van probiotica bij alle patiënten met ernstige acute alvleesklierontsteking. Het huidige onderzoek was dan ook veel groter van opzet en primair bedoeld om het infectieremmende effect van probiotica aan te tonen.
De uitkomst werd pas na afloop duidelijk doordat het onderzoek ‘dubbelblind’ was uitgevoerd, zoals de medische wetenschap vereist. Een speciaal ingestelde ‘monitoring-commissie’ stelde halverwege het onderzoek geen significante verschillen vast, niet in infecties en ook niet in sterfte. De totale sterfte tijdens het onderzoek bedroeg 11 procent. Dat is hetzelfde percentage als uit de medische literatuur bekend is, namelijk 10%. Daardoor werd gedurende het onderzoek nog niet duidelijk dat er een verschil in sterfte zou bestaan tussen de patiëntengroepen. In dit soort onderzoek worden verschillen tussen de controle- en onderzoekgroep pas zichtbaar na het verbreken van de code als het onderzoek is afgelopen.
Alle deelnemende patiënten gaven vooraf toestemming voor deelname en het onderzoek is getoetst aan de Wet Medisch Wetenschappelijk Onderzoek met Mensen en uitgevoerd volgens de internationaal daarvoor geldende richtlijnen.
Meer over acute alvleesklierontsteking (pancreatitis)
Acute alvleesklierontsteking (pancreatitis) treft jaarlijks ruim 3000 Nederlanders. Ongeveer twintig procent van hen wordt ernstig ziek; van deze groep overlijdt ongeveer de helft op de afdeling Intensive Care. De overlijdenskans is groter wanneer er infecties optreden met schadelijke bacteriën. Wetenschappers zoeken daarom naar wegen om de kans daarop te verkleinen.
In dit onderzoek is via de darmsondevoeding probiotica toegediend in de verwachting dat zij de weerstand tegen schadelijke bacteriën verhogen. Probiotica zijn gunstige darmbacteriën die in de menselijke darm de groei van schadelijke bacteriën tegengaan. Onderzoek bij de overleden patiënten heeft aangetoond dat de toegediende probiotica bij hen geen infecties hebben veroorzaakt. Wat wel de precieze oorzaak van de sterfte was, wordt nog onderzocht.
Meer over dubbelblind onderzoek
Elk grondig medisch onderzoek wordt tegenwoordig ‘dubbelblind’ uitgevoerd; noch de patiënt, noch de wetenschappers wisten tijdens het onderzoek of de geteste behandeling of een schijnbehandeling (placebo) wordt toegepast. De verschillen tussen de twee groepen patiënten worden pas zichtbaar als na afloop een code wordt verbroken.
Bron: UMC bewerkt door VZW hartziekte
Elke gegeven informatie op deze site is louter informatief, zonder allesomvattend te zijn. Onder geen beding kunnen wij verantwoordelijk gesteld worden voor eventuele fouten of onjuistheden. Voor iedere specifieke toepassing, vragen of klachten raden wij aan steeds uw arts te raadplegen.
|
U kan ons gratis ondersteunen door een link te plaatsen op uw blog, website, facebook, enz......
Als onafhankelijke non-profit organisatie doen wij alles op eigen kracht.
VZW Hartziekte dankt van ganser harte alle mensen die zich inzetten voor onze vereniging en ons actief en financieel bijstaan in het realiseren van onze doelstellingen!!U kan ons ook financieel steunen door lid te worden of door een gift te doneren. Elke gift zal uitsluitend ingezet worden om de werking van de vzw mogelijk te maken (website, brieven, papier, etiketten, drukkosten etc ...).
|