Wie een depressie doormaakt, weet zelf vaak niet wat er aan de hand is. Over een depressie spreken met anderen is soms moeilijk. Ook de omgeving of zelfs artsen herkennen het probleem niet altijd onmiddellijk. Toch behoort depressie tot de meest voorkomende ziekten in de wereld en kan ze op elke leeftijd de kop opsteken.
Wat is een depressie?
Iedereen ziet het soms wel eens niet meer zitten, heeft in niets nog zin of beleeft aan niets meer plezier. Als deze gevoelens van neerslachtigheid dagenlang aanhouden, zeer heftig zijn en er geen controle meer over is, is er sprake van depressie.
Neerslachtigheid, lichte depressie (enkele weken) en ernstige depressie liggen min of meer in elkaars verlengde. De grens is soms moeilijk te trekken.
Artsen spreken van een depressie wanneer men gedurende 14 dagen last heeft van een sombere stemming of verminderde interesse en plezier in de meeste activiteiten én minstens vier van volgende symptomen:
- op korte tijd vermageren zonder dieet of opmerkelijk zwaarder worden
- niet kunnen slapen of veel meer slapen
- rusteloos ofwel heel loom zijn
- moe zijn en geen energie hebben
- zich waardeloos of schuldig voelen
- zich moeilijk kunnen concentreren en besluiteloos zijn
- regelmatig aan de dood of aan zelfmoord denken
Depressie is een ernstige ziekte. Het is geen gebrek aan wilskracht, karakter of doorzettingsvermogen. Een depressie hindert in het dagelijks en sociaal functioneren en kan leiden tot arbeidsongeschiktheid, lichamelijke ziekte, relatieproblemen of zelfmoordgedachten.
Op elke leeftijd
- Elke leeftijd brengt situaties en veranderingen met zich mee die gevoelens van onzekerheid, angst, geremdheid en eenzaamheid veroorzaken. Wie minder weerbaar is om met deze veranderingen om te gaan, loopt meer kans om een depressie te ontwikkelen.
- Hoewel volwassenen de kindertijd doorgaans als zorgeloos beschouwen moeten ook kinderen wel eens een verlies of tegenslag verwerken zoals een slecht rapport, de dood van oma of opa, gepest worden of moeten ze zich aanpassen aan een nieuwe situatie, bv. verhuizen, naar een nieuwe school gaan, een nieuwe leerkracht.
- Bij het begin van de puberteit (rond de leeftijd van 11-12 jaar) en gedurende de adolescentie (tot de leeftijd van ongeveer 20 jaar) ervaren jongeren heel wat veranderingen waarmee ze moeten leren omgaan. Lichamelijke veranderingen dwingen hen om zichzelf en hun lichaam anders te bekijken. Hormonale veranderingen leiden vlugger tot prikkelbaarheid en stemmingswisselingen. Afscheid nemen van de kindertijd, betekent ook geleidelijk op eigen benen staan en zoeken naar een eigen identiteit en bestemming. De band met de ouders wordt losser, deze met leeftijdsgenoten versterkt. Relaties kunnen ook intiemer, passioneler en seksueel gekleurd worden.
- Wie ouder wordt, krijgt vaak op diverse terreinen te maken met verliessituaties. Vermindering van lichamelijke mogelijkheden zoals minder goed zien of horen, minder vlot stappen, vlugger vermoeid zijn, minder diep slapen, een chronische ziekte krijgen, dwingen soms om een stuk zelfstandigheid op te geven. Verlies van werk of pensionering zorgt soms voor een gevoel van nutteloosheid. De zorg voor of het verlies van partner, vrienden of kennissen of de opname in een rust- en verzorgingstehuis verandert het sociaal netwerk en kan leiden tot gevoelens van eenzaamheid.
Verloop en duur
- Het verloop en de duur van een depressie zijn wisselend. Een depressie kan geleidelijk ontstaan maar ook binnen een week of enkele dagen.
- Veel depressies gaan spontaan weer over. Soms evolueren ze echter naar een blijvende toestand. Sommige mensen krijgen er één keer in hun leven mee af te rekenen, vele anderen meermaals.
- In het herstelproces wisselen betere perioden en moeilijke momenten elkaar af. De crisissen zijn vaak groeimomenten naar herstel.
HerkennenVeranderingen in gevoelens, denken, gedrag en/of lichaam kunnen eerste signalen zijn. Ze zijn allemaal even belangrijk maar komen niet noodzakelijk tegelijk of in even sterke mate voor. Soms komen ze helemaal niet voor of wijzen ze op andere moeilijkheden. Daarom is het herkennen van een depressie vaak niet eenvoudig.Gevoel
- somberheid, pessimisme of negativistisme
- boosheid, prikkelbaarheid
- minder plezier hebben in dagelijkse dingen
- zelfmedelijden hebben
- zich onzeker, waardeloos en minderwaardig voelen
- zich ongeliefd en eenzaam voelen
- zich leeg, schuldig, beschaamd voelen
Denken
- negatief zelfbeeld, gebrek aan zelfvertrouwen
- hulpeloosheid
- aandachts- en concentratieproblemen
- besluiteloosheid en piekeren
- denken aan de dood of aan zelfdoding, fantaseren over hoe men een einde aan het leven zou maken
Gedrag
- weinig sociale contacten
- langzamer handelen en lusteloosheid
- opgewonden, geagiteerd gedrag, rusteloosheid
- weinig gemotiveerd voor taken op school, in het huishouden of op het werk
- regressief gedrag (bv. kleuter die zich als peuter gedraagt)
- gevaarlijk, risicovol gedrag (bv. overmatig gebruik van alcohol of geneesmiddelen en het experimenteren met drugs)
- weglopen of delinquent gedrag
- verminderde zorg voor het uiterlijk en de (woon)omgeving
- veel huilen
- neiging om overdreven te reageren op mensen en situaties
Andere kenmerkenOm te kunnen spreken van depressie moeten zeker veranderingen in gevoel, denken en gedrag aanwezig zijn. Een aantal andere kenmerken kunnen wijzen op depressie maar moeten niet noodzakelijk aanwezig zijn om van een depressie te kunnen spreken.
- lichamelijke pijn zonder duidelijk medische oorzaak, bv. buikpijn, hoofdpijn, rugpijn, maagpijn, trillende handen, duizelig zijn, onregelmatig werkende darmen
- vermoeidheid
- veranderd eetgedrag: geen honger meer hebben of juist meer eten
- slaapstoornissen
- geen zin meer hebben in vrijen
- leerproblemen
- angsten
RisicofactorenIedereen kan een depressie doormaken maar sommige factoren verhogen de kwetsbaarheid. Meestal liggen verschillende factoren tegelijkertijd aan de basis. Psychische, lichamelijke of omgevingsfactoren en ingrijpende gebeurtenissen kunnen een rol spelen en elkaar versterken.
Biologische en lichamelijke factoren
- De meningen over de rol van erfelijkheid zijn nog verdeeld.
- Vrouwen hebben ongeveer tweemaal zoveel kans om een depressie te ontwikkelen als mannen.
- Een (chronische) lichamelijke ziekte, bv. schildklieraandoening, hart- en vaatziekten, CVA of een handicap kunnen de kwetsbaarheid verhogen. Vooral aandoeningen die leiden tot een verminderde mobiliteit, ernstige vermoeidheid, blijvende pijn, incontinentie, beperkingen in het vermogen om te communiceren, problemen met horen en zien, tasten de weerbaarheid en draagkracht aan. Ook hoogbegaafdheid of een verstandelijke handicap kunnen aan de basis liggen.
- Bepaalde geneesmiddelen zoals sommige middelen tegen hoge bloeddruk, antiparkinsonmiddelen, corticoïden, hormonale preparaten kunnen soms sombere gevoelens als nevenwerking hebben.
- Langdurige slapeloosheid kan leiden tot depressie.
- Hormonale veranderingen bv. na een bevalling of vóór de menstruatie kunnen depressieve gevoelens uitlokken.
Psychische factoren
Ook sommige karaktertrekken maken kwetsbaarder voor depressie, bv. moeilijk problemen kunnen oplossen, verdriet verwerken of steun vragen, weinig zelfvertrouwen, perfectionisme, faalangst, overwegend de negatieve kanten van zichzelf en de gebeurtenissen beklemtonen, sterk zwart-wit denken, over weinig sociale vaardigheden beschikken. Wie weinig plezierige gebeurtenissen of activiteiten in het leven heeft of ontevreden is over zijn leven, is gevoeliger voor een depressie.
Omgevingsfactoren
Deskundigen vestigen meer en meer de aandacht op de steeds grotere druk die de maatschappij oplegt. Ouders staan steeds meer onder druk en hebben minder tijd voor de kinderen. Kinderen en jongeren worden meer en meer buiten het gezin opgevangen. Voor sommige kinderen creëert dat gevoelens van onveiligheid. Ook de prestatiedrang is sterk toegenomen en vergroot de druk. Daarnaast kunnen andere factoren uit de onmiddellijke omgeving een rol spelen:
- weinig sociale en emotionele steun in de omgeving of gebrek aan vertrouwenspersoon om over moeilijkheden te praten
- communicatieproblemen, conflicten of financiële problemen in het gezin
- weinig hechte relaties of sociale contacten in het gezin
- chronische ziekte, psychische aandoening of drug- of alcoholverslaving van iemand in het gezin
- alleenstaand, gescheiden, alleenstaande ouder, weduwe of weduwnaar zijn
- gevoelens van onveiligheid
- gepest worden
- verblijven in een instelling of nood hebben aan thuiszorg
- lagere scholingsgraad of laag inkomen, armoede
- in de stad wonen of in slechte leefomstandigheden wonen
- herfst en winter
Invloed van levensgebeurtenissen
Ingrijpende gebeurtenissen uit heden of verleden zoals het overlijden van een familielid, het verhuizen, veranderen van school, huwelijksconflicten of echtscheiding, ziekte, verlies van één van de ouders op jonge leeftijd, spanningen op het werk, mishandeling of seksueel misbruik zijn slechts enkele voorbeelden van gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot depressie.
BehandelingOm een juiste diagnose te stellen en een correcte behandeling te starten, is het belangrijk een goed gesprek te hebben met de huisarts. Praten over gevoelens, lichamelijke klachten, gedachten, het functioneren, … helpt om inzicht te krijgen in de klachten. Vraag de arts tijd om naar uw verhaal te luisteren. Dit is de eerste stap naar herstel.
Daarnaast kunnen kinderen, jongeren en hun omgeving ook terecht bij het Centrum voor Leerlingbegeleiding voor advies en eventuele doorverwijzing.Om een depressie te behandelen hebben zowel gesprekken als geneesmiddelen hun waarde. Een combinatie van beide geeft dikwijls het beste resultaat.Gesprekken
- Gespreksbegeleiding neemt een belangrijke plaats in bij de behandeling van depressie. De huisarts kan hiervoor doorverwijzen naar een specialist in het behandelen van psychische problemen, bv. een psychotherapeut, psycholoog of psychiater.
- Er bestaan heel wat psychotherapieën. Cognitieve gedragstherapie lijkt resultaten op te leveren. Ook gezinstherapie is soms aangewezen.
- Binnen de psychotherapie is het belangrijk dat er eerst voldoende informatie wordt gegeven over de aandoening, mogelijke oorzaken en behandeling. Men leert praten over gevoelens, manieren om problemen aan te pakken, denkfouten die tot depressieve gedachten kunnen leiden corrigeren, zelfvertrouwen verbeteren. Ook sociale vaardigheden worden verhoogd. Zo wordt gewerkt aan het verwerven van meer inzicht in de samenhang van depressieve klachten en levensomstandigheden en de manier om anders met problemen om te gaan. De weerbaarheid vergroot voor het geval een nieuwe depressie de kop zou opsteken. Soms wordt ook partner of familie bij deze gesprekstherapie betrokken.
- Het is belangrijk voldoende te informeren over de soorten therapie en deze te kiezen waar u zich kan in terugvinden. Eens die keuze is gemaakt, kan het zoeken naar een daarin geschoolde therapeut starten, bv. via de dienst maatschappelijk werk van CM of via de beroepsverenigingen van therapeuten.
- Ook de persoonlijkheid van de therapeut is belangrijk voor de resultaten van de therapie. Het moet klikken. Is dit niet zo, dan is het beter – zo mogelijk in overleg – een andere hulpverlener te zoeken.
Geneesmiddelen
- Soms beslist de arts dat geneesmiddelen nodig zijn. Bij kinderen wordt hier minder voor gekozen omdat er ernstige bijwerkingen kunnen optreden en omdat de doeltreffendheid vaak nog niet sluitend is aangetoond.
- Depressie gaat gepaard met een tekort aan bepaalde stoffen (serotonine, adrenaline en dopamine) in de hersenen. Men veronderstelt dat het biologisch evenwicht in de hersenen verstoord is. Dit kan mee de stemming gedurende een lange tijd veranderen. Antidepressiva zijn geneesmiddelen die dit onevenwicht in de hersenen kunnen corrigeren zodat het herstelde biologisch evenwicht de depressie kan helpen wegtrekken.
- Antidepressiva hebben pas na 3 tot 4 weken resultaat. Bij wie last heeft van angst of slaapstoornissen kiest de arts er soms voor om tegelijk ook sneller werkende geneesmiddelen voor te schrijven. Deze slaap- en kalmeermiddelen mogen maar gedurende een korte periode (max. 3 weken) ingenomen worden omdat ze afhankelijkheid kunnen veroorzaken. Antidepressiva moeten gedurende een aantal maanden genomen worden. Het gebruik wordt geleidelijk en enkel in overleg met de arts afgebouwd, ook al zijn de depressieve symptomen sterk verminderd of verdwenen.
- Er zijn veel soorten antidepressiva die onderling vooral verschillen in mogelijke nevenwerkingen. De belangrijkste mogelijke nevenwerkingen zijn: hartkloppingen, duizeligheid, droge mond, wazig zien, sufheid, slaperigheid, moeite met ontlasting of urineren, misselijkheid, vermindering van seksuele gevoelens.
Voorkomen
Een aantal tips helpen het risico op het ontwikkelen van een depressie verminderen:
- Creëer een warme omgeving voor uw gezin zodat iedereen zich geborgen en begrepen voelt. Maak bewust tijd voor elkaar.
- Zorg voor een open, eerlijke communicatie. Neem gevoelens ernstig. Luister actief en tracht te praten over gevoelens van uzelf of een gezinslid. Hou hierbij ook rekening met ieders temperament en persoonlijkheid. Niemand is echt goed of slecht in alles.
- Koester uw vrienden en maak tijd voor mensen waar u zich goed bij voelt. Probeer nieuwe contacten te leggen en zorg ook voor een sociaal netwerk voor de kinderen, bv. via jeugd- of sportverenigingen.
- Respecteer de keuze van de vrienden van de kinderen. Het is belangrijk dat ze iemand hebben om hun hart bij uit te storten.
- Zorg voor een duidelijke structuur en stel elke dag een schema op van de activiteiten die in de loop van de dag gepland zijn. Dit schept duidelijkheid en veiligheid.
- Stel haalbare doestellingen en geniet van kleine dingen: een warm bad, een goed gesprek, spelen met de (klein)kinderen, …
- Zorg voor een gezonde leefwijze. Slaap genoeg maar ook niet te veel. Kies voor gezonde voeding en wees matig met alcohol en koffie. Let op uw medicatiegebruik en rookgedrag.
- Neem voldoende lichaamsbeweging, bv. elke dag een eindje fietsen of een korte wandeling maken. Dat helpt tegen depressieve gevoelens en maakt u ‘gezond moe’.
- Zoek afleiding in ontspannende activiteiten. Gebruik fantasie en creativiteit om gevoelens te uiten, bv. in muziek, tekeningen, dans.
- Leer op een goede manier omgaan met stress en probeer op een positieve manier te denken over uzelf en de gebeurtenissen rondom u.
- Scherm kinderen niet af van moeilijkheden maar help hen om er op een goede manier mee om te gaan. Toon en bespreek hoe u zelf problemen aanpakt.
- Zoek deskundige hulp als u vermoedt dat er sprake kan zijn van depressie.
Een depressie doormakenVolgende tips kunnen u helpen:
- Neem contact op met de huisarts als u er zelf niet uitgeraakt. Deze kan informatie geven, u zelf begeleiden of u doorverwijzen naar meer gespecialiseerde hulpverleners.
- Vraag eventueel een tweede mening wanneer u het niet eens bent met de voorgestelde behandeling.
- Probeer te aanvaarden dat u depressief bent. Heb geduld en neem de tijd.
- Blijf er niet alleen mee zitten. Neem iemand in vertrouwen en praat erover. Gevoelens delen helpt uw omgeving u beter te begrijpen en te helpen.
- Neem eventueel deel aan een praatgroep. Mensen die hetzelfde doormaken herkennen uw probleem. Het is voor beide partijen een opluchting om erover te praten.
- Voor een anoniem gesprek kan u ook dag en nacht terecht bij Tele-Onthaal op het nummer 106 of bij het Centrum ter Preventie van Zelfmoord op het nummer 02 649 95 55.
- Blijf gezond eten en drinken. Zoek geen troost in alcohol of drugs. Koffie maakt nerveus en gespannen.
- Stel beslissingen die vergaande gevolgen hebben uit, bv. verhuizen, een relatie verbreken.
- Probeer het oude leefpatroon te handhaven. Streef naar een vaste dagindeling. Ga op tijd naar bed en sta op de normale tijd op.
- Neem geneesmiddelen volgens voorschrift in.
Zorgen voor iemand met een depressie
- Moedig de persoon aan hulp te zoeken of schakel zelf zo snel mogelijk deskundige hulp in.
- Zoek informatie over depressie en informeer de omgeving voldoende.
- Zorg voor een warme, veilige omgeving. Dat biedt houvast en geborgenheid. Stimuleer een sfeer van vertrouwen en geef duidelijk aan dat u bereid bent om te praten. Veroordeel de gevoelens niet en neem irritatie van iemand die depressief is niet persoonlijk. Maak geen ruzie over wie gelijk heeft.
- Hou voor ogen dat depressie een ziekte is waarvan de behandeling tijd en geduld vergt. Minimaliseer de ziekte niet maar overbescherm de persoon met depressie ook niet. Maak duidelijk dat u weet dat hij niet alles aankan op dit ogenblik maar dat u niet twijfelt aan zijn kunnen. Neem – indien nodig – tijdelijk taken over en hou rekening met de wensen van de persoon met een depressie.
- Beklemtoon de sterke kanten van de persoon met depressie en prijs iedere vooruitgang, hoe klein ook.
- Zeg eventueel dat u het moeilijk heeft met het negatief gedrag maar beklemtoon dat u het niet moeilijk heeft met de persoon zelf.
- Stel realistische verwachtingen en respecteer het tempo van de persoon met een depressie, ook al ligt het maandenlang zeer laag. Maak geen verwijten over te weinig energie, wilskracht of doorzettingsvermogen. Heb geduld. Gevoelens veranderen niet zomaar ineens. Een depressie heeft tijd nodig om te genezen.
- Praat wat meer over ‘vroeger’ toen het leven er nog wat zonniger uitzag. Haal leuke herinneringen op en beperk het praten over de depressie.
- Probeer de persoon met een depressie niet op te beuren met goedbedoelde adviezen. Dat werkt vaak averechts.
- Doe iets samen, bv. wandelen of winkelen. Stel het niet voor of vraag het niet maar doe het. Zoek bezigheden die de persoon leuk vond vóór hij depressief werd.
- Steun de persoon met depressie om de behandeling volgens de voorschriften van de arts verder te zetten. Probeer ook te ondersteunen bij het volgen van gezonde leefregels en neem deze zelf ter harte.
- Let op mogelijk gevaar voor zelfdoding en bespreek dit zo mogelijk met de persoon zelf. Neem uitspraken als “ik zou dood willen zijn” ernstig en beschouw het niet als aandachttrekkerij maar als een schreeuw om hulp. Waak anderzijds ook niet te wantrouwig en vreesachtig over de persoon.
Zorgen voor uzelfZorgen voor iemand met een depressie is niet altijd eenvoudig. Om die zorg te kunnen blijven volhouden, is het ook belangrijk om goed voor uzelf te zorgen. Een paar tips:
- Zorg dat u zelf niet overbelast wordt. Roep tijdig hulp in van anderen.
- Neem zelf voldoende ontspanning.
- Hou rekening met de eigen beperkingen. Blijf niet ‘geven’ tot u zelf niet meer verder kan.
- Probeer eigen gevoelens van boosheid en machteloosheid omwille van de situatie te aanvaarden. Praat erover met de betrokkene zelf of met een vertrouwenspersoon.
- Onderhoud voldoende sociale contacten.
- Probeer de eigen bezigheden zoveel mogelijk vol te houden.
- Laat u niet aansteken door het negatieve denken en de sombere stemming.
- Zoek professionele hulp of contact met lotgenoten als het voor uzelf te zwaar wordt. U kan bv. terecht bij Similes, een vereniging voor familieleden en vrienden van personen met psychische of psychiatrische problemen.
Tips voor leerkrachten
- Besteed aandacht aan een positief schoolklimaat zodat kinderen en jongeren er zich kunnen ‘thuis’ voelen. Hierdoor zullen ze zich ook beter in hun vel voelen.
- Maak met de directie en leerkrachten een draaiboek over het informeren van ouders en het inschakelen van hulp voor kinderen waarvan u vermoedt dat ze misschien depressief zijn.
- Voorzie in het lessenpakket plaats voor het versterken van sociale vaardigheden. Leren omgaan met stress, verlies en depressieve gevoelens horen hierin thuis. Dit versterkt de weerbaarheid van kinderen en jongeren. Leerkrachten basisonderwijs vinden inspiratie in het didactisch pakket ‘Ik ben nummer dertien’. Voor leerkrachten secundair onderwijs is er het pakket ‘ff down’.
- Beklemtoon de dingen die de leerlingen goed kunnen. Het verhoogt het gevoel van eigenwaarde en de motivatie van de leerling, zeker als de klasgenoten dit horen. Een negatieve opmerking omwille van het gedrag gebeurt best onder vier ogen zodat de leerling niet ‘afgaat’ voor de hele klas.
- Laat leerlingen af en toe in groepjes werken. Leg hierbij de klemtoon op het samenwerken en niet op het concurreren. Zo kunnen leerlingen gebruik maken van elkaars sterke punten. Stel zelf de groepjes samen om uitsluiting van bepaalde leerlingen te voorkomen.
- Tracht met een leerling die zich slecht voelt, snel geïrriteerd is en slechte resultaten behaalt, te praten over zijn gevoelens. Probeer een sfeer van vertrouwen te scheppen waarin hij het gevoel krijgt dat hij met problemen bij u terecht kan.
- Probeer zoveel mogelijk andere personen uit de omgeving van het kind of de jongere erbij te betrekken en samen te werken om een probleem aan te pakken: ouders, ‘groene’ leerkracht, zorgcoördinator, CLB.